Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AT6970

Datum uitspraak2005-06-02
Datum gepubliceerd2005-06-13
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/5975 WUV
Statusgepubliceerd


Indicatie

Termijnoverschrijding bij indienen bezwaar.


Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R 04/5975 WUV U I T S P R A A K in het geding tussen: [eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres, en de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Verweerster heeft onder dagtekening 28 oktober 2004, kenmerk JZ/R/90/2004/0719, ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet). Tegen dat besluit heeft de dochter van eiseres B.S. Sondervan-Frank, wonende te Amstelveen, als gemachtigde van eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift is uiteengezet waarom eiseres zich niet met het bestreden besluit kan verenigen. Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 21 april 2005. Aldaar is eiseres, noch haar gemachtigde, gelijk tevoren bericht, verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. II. MOTIVERING Blijkens de gedingstukken heeft verweerster bij besluit van 29 juni 2004 de aanvraag voor een voorziening voor de aanschaf van meer dan een paar orthopedische schoenen per jaar afgewezen. Tegen dat besluit is door de bovengenoemde gemachtigde van eiseres bezwaar gemaakt bij brief van 20 augustus 2004, welk schrijven op 22 augustus 2004 (eveneens) per telefax is verzonden. Verweerster heeft, nadat zij had vastgesteld dat het bezwaarschrift na afloop van de termijn als bedoeld in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is ingediend, bij brief van 24 september 2004 aan de gemachtigde van eiseres verzocht aan te geven wat de reden is van het te laat indienen van het bezwaarschrift, zo mogelijk ondersteund door bewijsstukken. In antwoord hierop heeft de gemachtigde van eiseres voornoemde brief, voorzien van de aantekeningen dat zij wegens vakantie en ziekte niet in staat is geweest tijdig namens eiseres bezwaar aan te tekenen, teruggezonden. Verweerster heeft hierop bij het bestreden besluit het namens eiseres ingediende bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de voor de indiening van een bezwaarschrift ingevolge artikel 6:7 van de Awb geldende termijn van zes weken. In dat verband is overwogen dat met hetgeen namens eiseres met betrekking tot de termijnoverschrijding is aangevoerd, de termijnoverschrijding niet kan verontschuldigen. Ter beantwoording staat de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt het volgende. Voorop dient te worden gesteld dat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de bezwaartermijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. De Raad overweegt dat het op de weg van een betrokkene ligt om bij afwezigheid van hemzelf of zijn gemachtigde vanwege vakantie (of andere redenen) maatregelen te treffen opdat in gevallen als deze tijdig en adequaat wordt gereageerd op een toegezonden besluit, eventueel door het (doen) indienen van een voorlopig bezwaarschrift. De Raad is niet aan de hand van objectieve gegevens gebleken dat (de gemachtigde van) eiseres gedurende de gehele bezwaartermijn buiten staat is geweest tijdig een (voorlopig) bezwaarschrift in te (doen) dienen. Verweerster heeft eiseres derhalve terecht niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar tegen het besluit van 29 juni 2004. Het beroep van eiseres dient, gezien het vorenstaande, ongegrond te worden verklaard. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten en beslist als volgt. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Verklaart het beroep ongegrond. Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2005. (get.) C.G. Kasdorp. (get.) E. Heemsbergen. HD 29.04